Sanders Blogt op Zee

Blog 200 Myls van de TUIMELAAR, geschreven aan (zeil)vrienden aan de wal. Maarten meldt vooraf exlpliciet: “Ik heb zeer genoten van de tocht. Dank en hulde aan de organisatie voor het vele werk en het verstandige besluit om de banen te beperken.”

Dinsdag, de voorbereiding

De veelbelovende titel van dit blog dekt helaas de lading niet, zoals de lezer duidelijk zal worden. Wat hier en de komende dagen volgt is het blog van Tuimelaars deelname aan de 200 Myls ‘Solo’. Want ja, na zeven jaar betrekkelijke rust is het weer zover. Tuimelaar en haar enthousiaste schipper doen weer mee aan de 200 Myls Solorace over IJsselmeer, Wad en Noordzee. Een evenement waar ongeveer 130 gekken en gekkinnen aan mee doen, en wat er op neer komt dat je alleen op je boot zo snel mogelijk 200 mijl probeert af te leggen, waarbij je verplicht drie maal een rusttijd van tenminste 7 uur in acht moet nemen en in totaal een rusttijd van tenminste 27 uur. Dat doe je door op een strategisch moment de wedstrijd te verlaten (je stopt de klok) en er na die rusttijd op dezelfde plek weer in te duiken.

Omdat je kunt kiezen uit vijf banen is het een complex puzzelspelletje, want alles houdt verband met de windverwachting, de prestaties van je boot op verschillende koersen, de keuze van rusttijden en (op Wad en Zee) een handig gebruik van stroom en getij.

Zo hebben de meeste deelnemers zich al maanden verdiept in Excel-sheets met koersen, gribfiles met winden, gpx-files met routes en het uploaden van al deze elektronische wijsheid in hun boordnavigatie-apparatuur, zodat – ook bij wijzigende omstandigheden –  steeds binnen enkele tellen opnieuw de optimale strategie kan worden doorgerekend. Ik was dat ook van plan.

Ik ga analoog

Maar al die verdomde elektronica! Ik heb het mooiste spul aan boord, maar hoe werkt het allemaal? De ene SD-kaart conflicteert met de andere geheugenmodule, de boord-WiFi vertoont eenrichtingverkeer, de hele kaartplotter crashte een paar weken geleden en waar kun je al die files nu eigenlijk downloaden en hoe moet het dan verder.

Ik zou bijna vergeten dat ik dit doe omdat ik van zeilen houd. En dat is niet hetzelfde als achter een beeldscherm zitten. Dus: de afgelopen dagen houd ik het weerbericht goed in de gaten, ik maak wat aantekeningen en ik denk na. Heel hard nadenken, zou het helpen? Ik ga analoog.

In ieder geval was mijn conclusie dat ik heel graag Baan 1 wou varen, door het Noordzeekanaal naar IJmuiden, dan over zee naar Den Helder, daar met schuimende stroom het Wad op en dan met flinke wind achter zo naar Kornwerderzand geblazen. Briljant plan. Alleen jammer dat het die nacht, dat dat tochtje zou moeten plaatsvinden, ontzettend hard gaat poeieren. Doe ik het wel, doe ik het niet? Ik neig er naar om het wel te doen. Het wordt wel even stressen en het is ook niet geheel zonder gevaar, maar het voordeel is onmiskenbaar.

Naar starthaven Lelystad

Enfin, eerst maar eens zorgen dat ik in starthaven Lelystad terecht kom. Gisteravond nog naar Albert Heijn om voor vijf dagen solo-eten te kopen. Veel brood, kaas, ham, te bakken eieren met spek, en wat gemakkelijke snacks die je kunt grijpen als je honger hebt, maar geen tijd om op je schuddende bootje wat klaar te maken: ontbijtkoek, krentenbollen, appels, bananen, Tucjes, dadels.

Vanmorgen aan boord nog allerlei klusjes: het ankerbeslag gecontroleerd, de spinnaker  en gennaker in hun slurf getrokken, water in de tank, geen druppel te veel natuurlijk. Batterijen in alle apparaten, lijnen gecontroleerd en om 2 uur eindelijk vertrokken naar Lelystad. Het woei goed, maar op zich was het lekker zeilweer, met af en toe een buitje. Tijdens het zeilen nog eens de maanden geleden rond gestuurde ’notice of race’ goed bestudeerd. Krijg nou wat! Je moet om 5 uur in de haven zijn, anders krijg je meteen al strafpunten. Ga ik het halen, nee pas om 17:15 uur meer ik aan in de Bataviahaven in Lelystad. Gelukkig stond Tuimelaar niet op de inspectielijst, dus geen probleem.

Maar de adrenaline pompt inmiddels op volle snelheid door mijn lijf, bij de gedachte aan de moeilijke keuze: buitenom of niet. Ik weet dat ik de uitdaging om dat te doen niet kan weerstaan, maar weet ook dat het niet de verstandigste optie is.

Palaver

Vanavond om 8 uur wordt het ‘palaver’ gehouden, waarbij de wedstrijdleiding de laatste instructies geeft. Mijn dilemma wordt opgelost. De wedstrijdleiding vindt de voorspelde wind te hard en heeft geaarzeld tussen afgelasten of regels aanpassen. Er is gekozen voor het laatste, wat inhoudt dat er maar één baan kan worden gevaren, Baan 5, zodat mijn buitengaatse avontuur niet door kan gaan. De baan wordt ook nog afgekort, zodat we maar 125 mijl hoeven te varen en de deelnemers de gelegenheid hebben om de stormdagen (donderdag en vrijdag) in een haven uit te zitten. Wel jammer, want ik weet zeker dat het baantje buitenom mij – als het goed ging – veel voordeel had opgeleverd. De wedstrijd wordt nu een stuk minder strategisch, maar het is ook wel wat meer relaxed. Hoewel dat niet voor iedereen geldt, want tijdens het diner hoor ik verschillende solisten praten over ‘als de boel maar heel blijft’ en ‘als ik zelf maar heel blijf.’

En nu, aan boord de dag van morgen overdenkend, heb ik weer een nieuwe uitdaging voor mezelf bedacht. Ik ga voor ‘line honours’, dat wil zeggen als eerste binnenkomen, dus ongeacht je werkelijke plaats in het klassement, want die wordt gecorrigeerd aan de hand van de handicap van je boot. Deze uitdaging betekent: alle rakken zo snel mogelijke zeilen, op de eerst mogelijke starttijd (morgenochtend om 7 uur) door de startlijn en geen seconde meer rust nemen dan de minimale rusttijd. En een ander aspect is dat ik me dus weinig van de harde wind zal aantrekken die voor donderdag en vrijdag is voorspeld. Alleen zal ik proberen om tijdens de hardste wind (donderdagochtend tussen 5 en 12 uur) mijn verplichte rusttijd te nemen.

Welnu, beste vrienden, ik ga te kooi. Maar weet dat je de Tuimelaar kunt volgen op http://200myls.nl/tracker/ . Daar zou je door de juiste filters aan te vinken mijn voortgang of rust moeten kunnen zien. Ik weet niet of het werkt, dat merken we wel.

Als je voorlopig niets van mij hoort, dan is de minst waarschijnlijke reden dat het niet goed met mij zou gaan. Waarschijnlijker is het dat de tracker niet werkt, dat ik geen tijd heb voor mijn blog, dat ik liever slaap of dat ik geen internet verbinding heb. Maar desondanks hoop ik jullie eens in de ca. 36 uur een bericht te sturen.

Slaap wel!

Maarten

Woensdag, we gaan van start … en dan?

Men moet op ieder moment zijn ambities kunnen bij stellen. Althans, zich beseffen wanneer de ambities irreëel zijn geworden. Het was een mooie tocht, maar ook een heftige tocht. Ik kan naar jullie, beste zeilvrienden, wel open kaart spelen over de foute beslissingen en gevaren. Het ging als volgt:

Al bij de start kroop ik door het oog van de naald. Om 5:40 opgestaan, om half zeven los gemaakt en in het donker in het smalle vaargeultje naar de sluis van Lelystad de zeilen gehesen, omringd door lichtjes van boten waarop het zelfde gebeurde. Ik wilde niet al te erg in het gedrang komen, dus koerste enkele minuten na het eerste startmoment met halve wind over stuurboord naar de startlijn (de westelijk gerichte doorgang bij het mega-kunstwerk ‘de hurkende man’) een smalle doorgang en het is best lastig je goed te oriënteren zo in het donker, terwijl je als zee-solist natuurlijk met van alles tegelijk bezig bent. Daar lag ik voor de doorgang, nu oploeven maar. Maar oploeven betekent zeilen aantrekken en dat kan pas als de autopilot aan staat, maar die weet geen andere boten te ontwijken. Er gingen dus enkele kostbare seconden voorbij, Tuimelaar maakte nog geen snelheid en dreef met de wind op de Noordelijke wal van de doorgang af. Dit zag er heel slecht uit, snel snel, aantrekken die zeilen. Net op het moment dat ik er vrijwel zeker van was dat ik vast zou lopen op de basaltblokken maakte Tuimelaar vaart en kreeg ik controle over de koers. Gelukkig baggert Rijkswaterstaat hier wél tot het randje. Vanaf dat moment kon ik gaan jagen op de enkele boten die voor mij waren gestart. De meeste kon ik snel voorbijlopen en toen het na een half uur varen licht was geworden, lag er nog maar een boot enkele minuten op mij voor. Dit bleek later de J-122 Jetstream te zijn. Die schipper kan zeilen, dat was mij duidelijk.

Eigenlijk ging het vanaf dat moment wel lekker. Het woei best hard en met het eerste rif in het grootzeil liep ik af en toe uit het roer, omdat de druk in het zeil te groot werd. Maar alle koersen waren bezeild en daar gaat het ten slotte om in de 200 Myls Solo: probeer je rusttijden zo te kiezen ten opzichte van de wijzigende windrichting, dat je nooit hoeft te kruisen. De lezer herinnert zich wellicht uit mijn vorige blog, dat ik een andere ambitie had geformuleerd: “Ik ga voor ‘line honours’ en zal mijn rusttijden minimaliseren.” Maar het loopt anders.

Gewond!

Om 12:40 uur passeer ik de ton KG29-BR2, wat betekent dat de klok voor de wedstrijd even stil staat om de sluis bij Enkhuizen te passeren. Door ervaring wijs geworden leg ik in de sluis aan tegen de benedenwindse betonnen wand. Maar dat is lastig bij het wegvaren, zeker met deze harde wind, en terwijl ik gas geef en van de wand afstuur, draait de kont van het schip naar de wand. Ik duw af met mijn hand, krijg mijn duim tussen de railing van de boot en het beton en denk “stom, dat zou me zomaar mijn vinger hebben kunnen kosten”. Vervolgens kijk ik naar deze duim, het bloed spat er af en stroomt over het witte dek. De duim zit er nog aan, maar de railing was recht door mijn nagel gesneden en ik keek zo in de open wond. Duim in de mond, wegvaren met de andere hand, rustig koersje zoeken, op de autopilot en provisorische wondverzorging. Ging ik vanwege zo’n wondje ophouden met de wedstrijd? Nee toch niet. Was dat verstandig? Misschien niet, maar ‘a man’s got to do what a man ’s got to do’. Enigszins geschrokken, maar toch nog enthousiast, zet ik, na 1:28 uur “rusttijd” – en wat later dan de anderen met wie ik in de sluis lag – zeil voor de start van de tocht over het Noordelijk deel van het IJsselmeer.

Zo snel mogelijk naar Makkum

De windvoorspelling: Op donderdagochtend draait de wind van west naar noord-west met stormkracht, die windrichting houdt de komende dagen aan. Dit dwong tot de volgende strategie: zo snel mogelijk door naar het noordelijkste punt van de baan, naar Makkum dus, want met westenwind zijn vrijwel alle rakken daar naartoe bezeild, en als de wind dan donderdag ochtend is gedraaid, is de rest van de rakken ook bezeild. Die strategie liep nog parallel aan mijn ‘line honours’ ambitie. Vervolgens zou ik in Makkum 11 uur en 32 minuten rust nemen. Donderdagochtend om 8:29 uur weer starten, 4,5 mijl varen naar Breezanddijk, het bekende torentje midden op de Afsluitdijk, waar ook een vluchthaven is, daar mijn volgende 7 uur verplichte rust nemen en dan naar Enkhuizen. Daar weer zeven uur rust, in combinatie met het schutten naar het Markermeer. Deze rusttijden opgeteld, samen met de eerste sluispassage van 1:28 uur zou dan precies 27 uur rust opleveren, geen minuut te veel!

De bodem van het IJsselmeer?

Inmiddels vorderde ik gestaag, de wind was toegenomen en met twee riffen ruime wind zeilend surfte ik regelmatig met 11 knopen van de golven. De schipper glom van oor tot oor. De enige aan-de-windse koers was een kort rak  naar ton ‘Sport E’. Van de 140 deelnemende boten was er hier maar een handjevol te zien. Daarna weer bezeilde oostelijke en noordelijke koersen en zelfs het enige noordwestelijke rak was bezeild. Nu werd het donker en daardoor werd het navigeren lastiger. Niet alle boeien op het IJsselmeer zijn verlicht. Bovendien zijn in de kaart dieptemetingen aangegeven die onaangenaam dicht bij de diepte van de boot liggen: 2,5 meter. Hoe lang kun je jezelf voor de gek houden met de gedachte dat dat echt de minimale metingen zijn, op het laagste laagwater en dat het water nu juist hoger staat omdat de wind al dagenlang het water naar de kust van Friesland blaast en dat je je daarom van de aanwijzing “2.30” niks hoeft aan te trekken? Nou, precies zo lang totdat je bam, bam en nog eens bam! de kiel over de bodem voelt stuiteren, terwijl je met een snelheid van 7,5 knoop door de golven raast. Hoge golven, diepe dalen, in ieder geval een onbetrouwbare bodem, maar wat doe je als je er middenin zit in een halve storm.

Ik heb geluk gehad. Een paar flinke dreunen, maar ik bleef zeilen en daarna kwam weer dieper water. Tot aan de laatste ton van de dag, de VF7, vlak voor het kanaal naar Makkum en vlak voor de sluis van Kornwerderzand. Om 20:57 uur ging mijn rustperiode in, die dus tot donderdagochtend, half negen zou mogen duren. TIP AAN ALLE ZEILERS MET BOTEN DIE 2,50 METER STEKEN: GA NIET NAAR KORNWERDERZAND. Eerder dit jaar, tijdens het Rondje Noord Holland, moest ik door de KNRM van de dijk worden gesleept. Nu was het nog niet zo ver, maar wel moest ik met windkracht 7 – 8 op volle zee in het donker mijn zeilen naar beneden zien te krijgen. Dat kan alleen tegen de wind in varend en dat kan alleen als je de vaargeul uit vaart. Het was een gok, zou ik mijn zeilen op tijd naar beneden krijgen? Nee dus, weer sleurde de kiel even door de modder en kreeg ik de boot gelukkig los. En dit herhaalde zich nogmaals in het stormachtige toegangskanaal naar Makkum. Een smalle geul, gemarkeerd met onverlichte tonnen, waarvan ik er een miste, ik schampte er langs en gleed op hetzelfde moment in de modder. Ook nu kwam ik weer los.

In het kanaal langs de Makkumer haven loeide de westenwind naar binnen. Niemand te zien op de steiger. Ik voer tweemaal heen en weer om tijd te hebben mijn lijnen en stootwillen klaar te leggen en wist de boot, ondanks de harde wind, netjes vast te maken. Ik zie nu dat de tracker niet heeft gewerkt. Jammer. Enigszins gedemoraliseerd door de diverse tegenslagen. Moe! Slapen! En morgen op tijd opstaan vanwege mijn ‘line honours’ plan.

Als ik donderdagochtend om half 8 weer twee eieren bak, zie ik dat de windmeter – die de vorige dag tussen de 25 en 32 knopen aangaf, inmiddels regelmatig oploopt naar 40 knopen. De boot ligt te rukken aan zijn touwen en de stootwillen kunnen de boot niet voldoende beschermen. Bah! Krassen op de romp.

Het gaat nog harder waaien, grote golven lopen het kanaal in vanuit het IJsselmeer. De boot danst aan de wal op en neer. Ik zie windstoten van 50 knopen. Dit is het moment om verstandig te worden. Ik wacht en schrijf mijn blog.

Beste vrienden, het vervolg volgt.

Donderdag en vrijdag, de wind en het water, de schipper en zijn boot

Op donderdagmiddag om een uur of drie klaart het wat op en neemt de wind iets af. De zes of zeven verzamelde solisten in Makkum worden onrustig en ik zie er enkele vertrekken. Eerder op de middag vertrok schipper Gerben van de Jetstream. Hij is slim geweest, want heeft niet Makkum, maar een haven eerder, Hindeloopen, aangedaan en daar al zeven uur verplichte rust genomen, vervolgens ’s-nachts het kleine stukje naar Makkum gevaren en nu na vertrek uit Makkum hoeft hij nog maar één rustpauze te nemen. Bloeddoorlopen ogen, grijze wallen daaronder, rossige stoppels, maar de line honours kunnen hem niet meer ontgaan.

Ik ga weer, weg uit Makkum

Met heel wat gehannes met meerlijnen en motorgeweld weet ik mij los te maken van de lagerwal, waar ik meedogenloos door de wind tegenaan word gedrukt. Ik vaar twee keer het kanaal op en neer om alle meerlijnen en stootwillen op dit betrekkelijk rustige water weg te bergen. De wind blaast schuin het kanaal in, zodat ik hier ook zeil kan zetten. Fijn dat dat niet buiten in de golven in de smalle toegangsgeul hoeft. Enkele minuten later beuk ik in deze geul op de motor tegen de golven en de wind in, met gehesen grootzeil. Mijn plan was om het volgende rak van 4,5 mijl te varen en de volgende rustperiode van zeven uur te nemen voor anker, onder Breezanddijk, de Afsluitdijk. Maar dan zou ik ’s-nachts verder moeten naar Enkhuizen. Nu heb ik een beter plan. Ik vaar na Breezanddijk door en volg de rest van de baan, met ruime wind naar de West Friese kust, dan naar het Zuiden, zodat ik waarschijnlijk kort na donker in Enkhuizen ben met een veilige en rustige haven voor de volgende zeven uur. Vervolgens kan ik dan na de sluis een heel kort rakje varen en dan mijn laatste verplichte rustperiode pakken.

Eenmaal op koers naar Breezanddijk overzie ik het lege IJsselmeer. Wat vaart hier nog? Een 200 Myls Solist voor mij, een 200 Myls Solist achter mij. En een honderd jaar oude zeilklipper komt mij tegemoet. Waar wij met onze moderne superboten dansend op wind en golven het gevoel hebben ons leven te wagen in de storm, is die zeilklipper een toonbeeld van rust. Als een oude dame die in vol ornaat hetzelfde dansfeest bezoekt, passeert zij licht wankelend maar in een onverstoorbare rechte lijn de worstelende jeugd. Wat een stabiliteit. Ik kijk de klipper nog een tijdje na en bewonder de solide vorm van haar romp, die zich nauwelijks laat kantelen door de twee vol gehesen zeilen.

Ieder jaar leer ik mijn Tuimelaar weer beter kennen. Nu zie ik dat zij met zachte hand gevaren moet worden, zelfs, of misschien juist, in deze condities. In een liefdevol spel zoeken we samen de optimale stand van zeil en wind, steeds een beetje hoger, steeds het grootzeil wat strakker, het effect aanvoelen en dan weer wat bijstellen. Zo bereiken wij het hoogste punt en suist zij zingend door de golven, dertig graden aan de wind, zelfs met 37 knopen (schijnbare wind) op de meter. Dit lukte mij vroeger nooit zonder dat zij telkens uit het roer liep.

Blauwe leegte breekt door het wolkendek, soms glimt het zonlicht mij over het golvende wateroppervlak tegemoet, dan weer trekt de wind sterk aan, zie ik de boot voor mij in een vlaag uit het roer lopen, de lucht is donkergrijs en even later raakt de vlaag mij ook. De giek sleurt door het water, maar Tuimelaar richt zich altijd trouw weer op. Onder de donkere wolken zie ik een strook zonlicht en daaronder de West Friese kust. Dan trekt het weer dicht, de lucht verdonkert en een massief grijze muur van slagregens komt naar me toe en over me heen. Ik heb nooit het gevoel dat ik nat word.

Voor de wind naar Enkhuizen

Langzaam win ik terrein op de solist voor mij en op het volgende rak, pal voor de wind richting Enkhuizen passeer ik hem. Het is precies sturen, want je wilt niet gijpen met zo’n wind achter je, maar gaat dat lukken? In de vlagen neemt de snelheid toe tot meer dan negen knopen, ik hoef daarvoor niet naar de snelheidsmeter te kijken, want ik voel Tuimelaar dan trillen van genot. Soms worden we door een golf opgetild en gaat haar getril over in een bonzende hartslag. Het is dan de kunst om heel precies te sturen en zo lang mogelijk met 11 of meer knopen met de golf mee te liften. Het wordt nu donker en ik zie de ton nog niet, is hij bezeild met het grootzeil over bakboord? Na enige tijd zie ik het lichtkarakteristiek van deze ton ‘EZ-A’ verschijnen: 1 flash in tien seconden. Ik concentreer me op die ene flits aan de horizon: elke tien seconden een fix om op af te sturen en dan weer negen seconden nix. Af en toe vaar ik binnen de wind, maar ik weet de ton net te bezeilen en te ronden zonder gijp. Gelukkig. Nu het laatste rak naar ton ‘KG’: nog een half uur varen en om 20:14 uur kan ik de wedstrijdklok weer stil zetten. In de vaargeul naar Enkhuizen strijk ik de zeilen, ik vaar weer heen en weer om stootwillen en landvasten klaar te maken en maak even later vast aan een comfortabele steiger in de Compagnieshaven.

Kacheltje aan, het vocht uit de boot verdrijven, voor het eerst op deze tocht tijd voor een warme maaltijd. En welja, ik heb het verdiend, een biertje er bij, terwijl ik mijn kipfiletje bak.

Voortreffelijk geslapen van half elf tot kwart over vijf. In alle rust de ligplaats weer verlaten en in het donker op naar de sluis. Die start met draaien om zes uur, ik ben precies op tijd en word als eerste geschut.

Nog steeds 7 knopen en sneller

In het donkere uitgangskanaal na de sluis manoeuvreer ik heen en weer om mij weer klaar te maken voor het volgende rak. Het is lastig, met onverlichte tonnen en andere verlichte tonnen met verschillende lichtkarakteristieken die ik moet identificeren om mij te kunnen oriënteren. En steeds die vrees om aan de grond te lopen. Maar om 6:44 uur start ik en ik vaar in 16 minuten het volgende rak naar ton ‘KG18′. Daarna neem ik weer een rustperiode, want ik moet nog zeven uur uit de race. Hoewel het nog altijd flink waait, vind ik als het licht geworden is rustig water om te ankeren onder het licht van Leekerhoek (zie foto). Zeven uur en vier minuten later, om 14:06, blaas ik weer met volle zeilen langs de ‘KG18’ op weg naar de Finish, ton ‘Sport I’. Deze 7,8 mijl leg ik in een uur en drie minuten af. Valt me nog mee, want de snelheid zakte een aantal keren onder de zeven knopen, een zeldzaamheid deze wedstrijd. Was ik nog fanatieker geweest, dan had ik op dit laatste rak nog het tweede rif uit het grootzeil gehaald. Maar ik vond het mooi zo en voelde me met twee riffen ook beter beschermd tegen de harde vlagen die nog steeds uit de lucht kwamen.

Finish!

Zo finish ik om 15:09 uur, loef 80 graden op en vaar razendsnel naar thuishaven Muiderzand. Straks met de auto naar Lelystad om mijn logboek en de tracker in te leveren. Het resultaat weet ik pas over een paar dagen. In de haven van Muiderzand is weinig watersportactiviteit, zo aan het eind van het seizoen. Ik parkeer Tuimelaar in haar box en pak drie kwart van het mee gebrachte eten weer in. Ik leefde voornamelijk op krentenbollen en appels.

Voldaan ligt Tuimelaar aan haar meerlijnen. De grote oude spin die ik bij vertrek het leven had gespaard kruipt onder de overloop vandaan. Hij kan een nieuw web gaan bouwen.